Moniek – ontregeld

Op de tweede werkdag (20-07) vond ik in de kerk een onuitgesproken boodschap. Mijn installatie van kruizen was op een ‘speelse’ manier verlegd. Dit voelde niet goed. Niet in eerste instantie en ook niet na enig zelfonderzoek. Nog geen uur later liep een onbehouwen bezoeker, al turend naar de fresco’s op het plafond, met reuzenstappen midden door de installatie. De houten kruizen klepperden op de granieten grafstenen. Een dame in zijn gezelschap wees hem terecht, het heerschap zelf was minder onder de indruk. Ik was sprakeloos en reageerde met een ongemakkelijke lach. ‘O, het is al de tweede ontregeling vandaag’, bracht ik uit.
In de hervonden stilte van de kerk moest ik stoom afblazen; als een boos kleutertje smeet ik mijn sandalen ver het gangpad in. Ik realiseerde me dat de moederkerk in haar lange bestaan al eerder een ‘Beeldenstorm’ heeft meegemaakt. Dit was maar een zuchtje in de tijd.

Rik – stilstaan

7 Tatane 149 (vulgo 20 juli 2022)

Voor de tweede woensdag van Monnikenwerk had ik iets voorbereid over stilstaan als vorm van stilte. Dinsdagmiddag kwam echter het bericht langs dat een zeer gewaardeerd collega-dichter, die ik meerdere keren heb ontmoet was overleden. Hierdoor was ik toch wat van mijn stuk. Vannacht had ik ook nog eens een vreemde droom gehad, waarin ik een gedicht voor hem schreef. Het zou een klankdicht worden en ik ben er zelfs voor opgestaan om een deel hiervan te noteren. Een abc’tje denk je dan.
Toen ik ermee bezig was, bleek het toch niet zo eenvoudig te zijn, Wat ’s nachts helder was, bleek overdag troebel. Ik liep helemaal vast. Na een rondje om het dorp. waarbij ik een smal pad door de moestuinen ontdekte, ging het schrijven een stuk beter. Er kwam zowaar iets zinnigs te staan.

Matty – stil

Alle pakkelarie mee, wat moet dat worden…
Maar nog voor ik de kerk in ga, ben ik buiten al in de weer.
Later in de kerk hoor ik het ruisen van de bomen. De kerk is eenvoudig en dat vind ik prachtig, stil leven hier. En werken. Wat een voorrecht.

Claudia – handen

De eerste dag van Monnikenwerk, het gutsen aan mijn houtsneden is begonnen. Zittend in de broederkapel, de gutsen rusten even op het tafelblad, kijk ik om mij heen. Ik realiseer mij dat vele handen en ambachtslieden mij zijn voorgegaan. In de kerk zijn veel gesneden versieringen en ornamenten te vinden. Van de Heerenbank achter mij tot aan de kapitelen aan het plafond. Maar ook de handen van de schilders van de plafondschilderingen, de timmermannen die de tafels, banken en kansel maakten, de smeden die het bijzondere hang- en sluitwerk vervaardigden. Zoveel vakmanschap in een kerk vol herinneringen, tekens & boodschappen. En al deze handen uit het verleden samen maken de kerk tot wat deze nu is. Eén geheel waarin je de geschiedenis kunt aflezen aan de hand van bouwstijlen en littekens.
Werken in stilte, iets wat in mijn eigen atelier lastig is omdat daar een drukke weg langs loopt lukt hier verrassend goed. De bouw- en sloopgeluiden van buiten dringen ook binnen door en lijken te echoën tussen de muren, maar ik hoor ook de ruisende bladeren van de bomen en het onophoudelijk fladderen van een vlinder die probeert dwars door het glas naar buiten te vliegen. Het klinkt bijna mechanisch maar ik kan haar niet helpen, ze zit te hoog in het koor. Wanneer ik in de consistorie een keukenkastje open op zoek naar koffie valt er een nachtvlinder op het aanrechtblad. Wanneer ik de naam opzoek van dit dier blijkt het een "huismoeder". Daar moet ik om glimlachen, een huismoeder in het huis van de vader.

Moniek – geluid

‘t Zandt zindert in de volle zon als ik op het plein voor de Mariakerk mijn materiaal uitpak. Het is 13-07, de eerste werkdag in stilte vangt aan (zie monnikenwerk.nu).
De mensen zelf zijn zwijgzaam, maar om me heen is het me toch een bak lawaai!
Ik hoor een mix van snerpende steenzagen, oosterse muziek uit een bouwradio en het getiktak van stratenmakers dat om de haverklap wordt doorbroken door het ratelend voorbijrijden van alles dat zich voortbeweegt op reuzenbanden.
Hier wordt versterkt, geboerd en aan de energietransitie gewerkt.
Ieder half uur voegt de losgezongen kerktoren hier de tijd aan toe.
Een robuuste postbode fietst terug uit een zijweg. Zou ze? Ik bedenk, zou ze een boerin zijn met een bijbaan? Zou ze thuis de vlag ondersteboven laten wapperen?
Ik krimp ineen. Niet om die vlag, maar om het woord ‘boer’ dat opeens een fysieke reactie bij me oproept. Dit is zo recent dat het nog geen plek heeft.
De dikke muren van de kerk dempen alles. Het geluid, de temperatuur, de gedachten. We hebben toch boeren nodig, net als energie en bedrijvigheid? En kunstenaars? Ik werk in een ‘open kerk’ en toeristen leiden me af. De eerste dag is vooral installeren en concentreren; dus dat doet er niet toe. Niks doet er nu toe, want ik moet voort. De Mariakerk is meer dan een stokoude kerk; ze is vergevingsgezind. Terwijl ik mijn calvinistische jeugd maar weer eens bezie door mijn kunst - ‘ik mocht vroeger geen kruisje, nu heb ik er lekker meer dan 100’ - opent ze zich voor mij. Mijn moeder Maria (haar dood is onlosmakelijk met deze kerk verbonden), heeft een gezant gestuurd. Met weinig woorden. En veel onuitgesproken begrip. Als ik in de avondzon weer buiten zit valt het me op: op de vogels na is het in ‘t Zandt doodstil.