Annemarie van Buuren

Leermens – Tussenruimtes

Ze betrekt een zeecontainer
krijgt een engel aan de deur die hoest

Uit: ‘Hij kent de lichte vogeltaal’ van Aly Freije

Tijdens Monnikenwerk ga ik samenwerken met dichter, schrijver en docent Aly Freije. Samen verkennen we de tussenruimte tussen woord en beeld: welke nieuwe betekenissen ontstaan er en wat gaat er verloren in de vertaling?

Berichten van Annemarie

Annemarie – de diepte in

Iedere week schrijft Aly een nieuw gedicht. Iedere week leg ik een nieuwe puzzel op de vloer van het koor. Opgeroepen door een flard, een zin, soms zelfs een enkel poetisch woord, rijgen de beelden zich aaneen, verbinden zich met eerdere foto’s, vormen nieuwe reeksen. Veel water, in de gedichten en op de foto’s. Lichamen, ondergedompeld. Kwetsbare engelen. Puntjes spelend licht in een nachtelijk bos.
Aly schrijft:

Ze suizen de maalstroom in
belanden in een tunnel van stilte die zich niet gewonnen geeft
daaronder heerst het duistere oog
ze trapt af, drijfnat komen ze boven.

Ik laat me meevoeren de maalstroom in, op intuitie. Wat er komt bovendrijven aan beelden wordt door de bezoekers vaak geassocieerd met verlies en rouw. Dan geeft de stilte zich voor een enkel moment gewonnen.

Annemarie – bezoekers

De bezoekers komen van overal uit het land. Ze zijn aandachtig en rustig, nemen alle tijd om zorgvuldig te kijken. Sommigen blijven tot ver na acht uur. Ze lopen om de foto’s heen en verwoorden hun associaties. Ze vertellen over rouw en engelen. Over wat ze in de andere kerkjes zien: over veren, vleugels en het verschil tussen een doolhof en een labyrint. Zoals ik mijn eigen beelden bij de gedichten van Aly Freije heb, ziet iedereen zijn of haar eigen verhaal in de foto’s die ik in het koor op de grond gelegd heb.

Als het kerkje uiteindelijk toch op slot gaat, loop ik er in het rijke avondlicht nog even omheen en denk aan de bijzondere verhalen die vandaag gehoord heb.

Annemarie – een feilbare engel

Ik zet een tafeltje en een stoel tegen de zuidmuur van de kerk, ga in het zonnetje zitten en denk na over Aly Freije’s intrigerende gedicht: Hij kent de lichte vogeltaal (het volledige gedicht is te lezen in de kerkjes van Eenum en Leermens). Een grote somberte heerst in de onderstroom lees ik en: Ze betrekt een zeecontainer/krijgt een engel aan de deur die hoest. Deze regels raken mij. Het lijkt wel of ze uit de tekst naar voren springen. Waarom gebeurt dat? Waarom hebben juist deze regels een speciale lading voor mij?
Ik kijk om me heen naar de symbolen op de grafstenen. Veel vleugels en vlinders: de adelaar voor eeuwig leven, de vleermuis voor sterfelijkheid, de ziel verschijnt als vlinder. Een bezoeker vertelt dat hier in de loop van de tijd meer dan 7000 mensen zijn begraven: “de deuren zijn niet verlaagd, de grond is verhoogd.” Al dat verdriet en verlies verbind ik met de onderstroom van somberte in Aly’s gedicht. Op de eerste reeks foto’s die ik in het koor op de grond leg, tussen de grafstenen, zijn zwarte, nachtelijke stromingen en zwarte en witte vleugels te zien.
Het hoesten van de engel laat me nog niet los. Een ziekelijke, zelfs sterfelijke engel? Als ik het op me laat inwerken dient een tweede serie beelden zich aan. Vleugels zijn veranderd in handen: handen die beschermen, troosten, loslaten. Geen gevleugelde etherische hemelbewoner maar een feilbaar, kwetsbaar wezen van vlees en bloed.
Lijkt deze engel misschien op ons?