Marijk – 14 juli

Ieder half uur lijkt er boven mijn hoofd iets te verschuiven, ik kijk op, het is het aanzetje tot het luiden van de klok in de toren. De stilte die volgt is bijna tastbaar.

De uren verstrijken, ik werk, loop wat rond, eet iets en voel terwijl ik op een stoel om mij heen zit te kijken al heimwee naar deze dag…

Laura – stil

De deur staat open. 

Alleen het ruisen van de bomen en af en toe een mekkerend schaap.
Het licht valt zacht op mijn werkplek.
Deze plek. Het voelt vertrouwd.

De geur brengt herinneringen.

Later doe ik ook de deuren naar buiten dicht.
Echt stil.
Alleen mijn handelingen nog hoorbaar.

Ik borduur kleine steekjes op ongebleekt katoen en stukjes schapenwol. 

De eerste zwerm spreeuwen krijgt vorm. 

Hoe kan ik zoiets vluchtigs en tijdelijks vangen?
Zoveel schoonheid van zichzelf.

Waarom wil ik dat zo graag vasthouden?
De repetitieve handeling neemt mijn onrustige brein over.

Ina en Henk – begin

De ingrediënten hebben we vandaag gebracht. Het frame is uitgedacht, getekend en gezaagd. Het podium met de tekentafel van Henk staat klaar. Morgen, op dag 1 aan het werk! Zin in.

Anjet – stil

Het tikken van de klok. Buiten fluit een vogel. Binnen zoemt een vlieg. Een lege kerk. Zakken verse wol. Een uitnodiging. Een begin. Verbonden met wie hier eerder waren. Ik ben er stil van.

Wianda – hergebruik

Voor ik daadwerkelijk aan het monnikenwerk begin in de kapel van Dokkum ben ik een paar jaar geleden al als een monnik meditatief bezig geweest; voor een andere installatie. Ik heb toen touw om touw gedraaid en dat weer geknoopt in de vorm van een stam. Nu wil ik het gedraaide touw hergebruiken voor in de kapel. En dus ben ik aan het ontknopen geslagen. Ik vind het fijn om mijn materialen te hergebruiken i.p.v. weg te gooien, ook omdat het mooi materiaal is en het voelt goed om het een tweede of derde leven te geven. Ik denk dat hun volgende leven in een boogvorm zal bestaan, maar daar kom ik pas achter als ik in de kapel de stilte, de sfeer en de lijnen van de kapel tot mij in heb laten werken.

Marijk – aanloop

De aanloop naar Monnikenwerk was lang, daarom werd ik vandaag zo blij toen ik mijn spullen naar Wirdum bracht.
Ik voel me er welkom.
De tafels waren al van zolder gehaald, Anita maakte koffie en hielp de etspers uit de auto tillen. We besloten de werkplek op de verhoging te maken, zodat de benedenruimte vrij blijft voor diensten. Drie stenen treden naar boven, werken in het licht van een groot boograam. Schuiven, uitpakken, nog eens veranderen…in de uren die volgden maakte ik mij de plek eigen waar ik de komende weken mag werken. Af en toe zat ik op een stoel om van een afstand naar mijn tijdelijke werkplaats te kijken en de stilte te voelen en tot mijn geruststelling de lekkere temperatuur, het mooie licht. En even mijn fantasie de vrije loop te laten over de komende tijd…
Ik heb er veel zin in!

Aly – eerste ontmoeting

Eerste ontmoeting in de kerk van Eenum

Ik verken met mijn vrouw de kerk, mijn werkplek voor de komende weken. Een man komt tegelijk met ons binnen, hij is op de fiets, hij is bezweet. Wij raken in gesprek over de prachtige oude Groninger kerken.

‘Weet u, in elke lege kerk hier ga ik op de spreekstoel staan en lees 1. Korinthiërs 13 van Paulus, De uitnemendheid van liefde. In de Griekse taal bestaan vier woorden voor liefde, wij hebben er slechts één woord voor.’

‘Agape’ begin ik, ik ken immers mijn klassieken.

‘Eros, philia en mania’ vult hij aan. Wij nodigen hem uit om hier ook voor te lezen.

 

Hij klimt de preekstoel op en begint: ‘Al zou ik de talen van de mensen en van de engelen spreken, maar ik had de liefde niet, dan zou ik klinkend koper of een schallende cimbaal zijn geworden.’ Hij somt op wat liefde allemaal is. Wij hadden gisteren een flinke ruzie, dit lijkt bijna geen toeval. ‘Ons resten geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de meeste van deze is de liefde’, besluit hij.

Hij daalt af, staat in het koor. ‘Ik zing voor jullie nog een lied.’ En in de ruimte is zijn stem zacht maar zuiver. Breekbaar ook klinkt het Latijn, we zien dat hij bijna huilt.

 

Hij komt weer bij ons en ik vraag naar de oorsprong van zijn religieuze bewogenheid. Hij vertelt dat zijn vader een streng geloof had, zoals Jan Siebelinks vader in het boek Knielen op een bed violen en hoe hij moest worstelen om daaruit los te komen.’ Ook deze mensen poogden de liefde te volgen’ zegt hij bezwerend. Ik probeer wat lichtheid te brengen, noem de bundel 27 Liefdesliedjes van Judith Herzberg, waarin zij een beeldende bewerking van het Hooglied brengt. Dat wil hij graag lezen.

 

Ik denk aan ‘de taal van engelen’ uit de beginzin van zijn uitgesproken tekst. Roel Bentz van den Berg schrijft in zijn essay Engelen in regenjas over hen. ‘Ik zie alles, ik ben altijd bij u’ laat hij een engel zeggen. En een engel heeft ‘ogen zoals van alle engelen, heldere spiegels waarin God en de mensen elkaars gezicht kunnen zien’. Zijn beschermengelen vertonen zich altijd in versleten kleren schrijft hij.

De titel van mijn nieuwe dichtbundel luidt Een engel aan de deur. Die engel leek toen min of meer bij toeval bij mij te zijn binnengevlogen.

Annemarie van Buuren uit de naburige kerk van Leermens heeft voor de omslag een foto van een grote geheimzinnige vogel gekozen, die net het beeld uitvliegt. Dat roept weer veel associaties op. In de film van Wim Wenders Die Himmel über Berlin cirkelen twee engelen boven de stad. Ze zitten op hoge gebouwen, om naar de mensen beneden te kijken. Ze kunnen hun gedachten horen, hoe ze worstelden met het leven. Eén engel daalt af om mensen bij te staan en wordt zo ook sterfelijk.

Ik ga Wallace Stevens lezen, hij schreef een boek met essays, The necessary angel.

We nemen afscheid in de kerk, we zullen mailen, hij meldt zich echter later niet.

‘Ik denk dat je een engel hebt ontmoet’, zegt Annemarie. Hij had inderdaad een verfomfaaid jackje aan. Monnikenwerk is begonnen.